Christenen voor de leeuwen

stadion

Sport en ik: nee. Echt goede vrienden zijn we nooit geworden. Dat was al zo op de lagere school, waar we voor de wekelijkse gymnastiekles naar de gymzaal van de naburige BLO-school  werden gedirigeerd. Wij hadden namelijk geen gymzaal. En je wilt die kinderen toch leren bokspringen, koprollen, in touwen laten klimmen, oefeningen doen op de rekstok en aan de ringen, of halsbrekende toeren laten uithalen op het klimrek. Van zoiets krijgen ze immers niet alleen een atletisch lichaam, maar het is ook heel vormend voor het karakter. Daar hebben ze later in de maatschappij alleen maar gemak van.

De leerlingen van de BLO-school verdrongen zich ondertussen schaterlachend voor de ramen van de gymzaal. Want hup, daar stuntelde zich weer zo’n dikzak uit de middenklassebuurt (waar ze het allemaal hoog in de bol hadden) over het paard heen. Of hing huilend van de hoogtevrees lijkbleek in klimrek of touwen.

Later, op de middelbare school, hadden we zelf gymzalen. Heuse sportvelden zelfs, waar we omheen moesten rennen. En alsof dat allemaal nog niet erg genoeg was, werd er ook elk jaar een sportdag georganiseerd. Eén keer zelfs in het Willem II-stadion, want daar hadden ze een atletiekbaan om het voetbalveld heen. Om nog meer te kunnen rennen, denk ik. Zelf heb ik me die dag maar ziek gehouden, met de dekens zo ver mogelijk over mijn hoofd getrokken.

Pak stroopwafels erbij. Wachten tot het overgaat.

Er gaan immers aardig wat mensen in zo’n stadion. En schaterlachen galmt er behoorlijk door. Dat helpt niet echt, zeker als je toch al niet van gymnastiek houdt. Gelukkig hadden mijn ouders alle begrip voor mijn bedenkingen. Ze vroegen niet door.

Ik mocht thuisblijven.

We woonden namelijk aan de Generaal Smutslaan, vlakbij het stadion, en konden op de zondagmiddagen dat er gevoetbald werd alles prima volgen. Ook in de wintermaanden, met alle deuren en ramen dicht. “Hoor, kinderen! Christenen voor de leeuwen”, zei mijn vader dan als er weer een onaards gebrul opstak. Daarna vulde hij zijn glas met vieux nog maar eens bij en zette de Ouverture 1812 wat harder.

Kortom, ik zeg al, sport en ik, nee. Om te doen dan. Want inmiddels heb ik een seizoenskaart en ga ik elke zondagmiddag kijken, als de christenen weer voor de leeuwen worden gegooid. Maar in het Willem II-stadion kom ik nog steeds niet.

Ik woon tegenwoordig namelijk vlakbij een ander stadion.

Advertenties