Kraken op de Gasthuisring

gasthuisring

“Wij eisen alles”, stond ergens in de binnenstad in krachtige letters op de muur gekwast. “Alles is op”, had iemand daar onder gezet. Maar wij wisten beter. Alles was helemaal niet op. Verre van, zelfs. Zo stonden er bijvoorbeeld aardig wat panden leeg en het toeval wilde, dat wij net op zoek waren naar woonruimte.

Dus daar zaten we dan, in de winter van ergens halverwege de jaren ’70, met zijn allen om een houtkacheltje in de voormalige pastorie aan de Gasthuisring heen. Kopje thee erbij, een jointje of tien, twintig, gezellig. Niet dat we hout hadden om te stoken, maar met oud papier en bananendozen had je ook een paar minuten vuur. De rest dachten we er dan wel bij. Dat lukte prima na een paar van die jointjes. En trouwens, wij hadden het warm van binnen. Want wij voerden actie tegen dingen zodat de wereld beter zou worden.

Onze wereld in ieder geval wel. Want ineens hadden allemaal een ruime kamer met een sjieke parketvloer erin, een badkamer met ligbad, een ferme keuken, een joekel van een tuin, een kerk waar de daklozen in konden bivakkeren en een parkeerplaats voor de deur, voor als er eens iemand met een auto op bezoek zou komen. We hadden zelfs een echte pianist van het conservatorium in huis, met een Steinway vleugel. Even later hadden we ook nog gaskachels.

En dat alles helemaal gratis, want wij waren krakers en dan hoefde je niks te betalen. Dat wist iedereen. En mocht iemand van het energiebedrijf onverhoopt nog vragen hebben, dan verwezen we die met alle plezier door naar de pianist. Die had immers voor de energierekening getekend.

Niet verbazend dus, dat ons pand al snel razend populair was. Zo liepen er bijvoorbeeld steeds meer mensen door de gangen die op zoek waren naar de jongen die ook weleens wat van dat witte poeder te koop had waar je zo lekker een nachtje op kon doorhalen. Er verdwenen ook steeds vaker spullen van de kamers. En in de serre woonden twee jongens van wie er eentje al jaren op de zonsopgang zat te wachten. Maar, wist hij zeker, dat zou nu allemaal goed komen omdat die andere jongen Jezus was. En Jezus draait zijn hand natuurlijk niet om voor een zonsopgang.

Zelf vergaten we ondertussen op te ruimen. Dat ging de eerste paar jaar goed, want het was een behoorlijk groot pand, Maar op een gegeven moment begon het toch behoorlijk op te vallen. En het rook ook een beetje typisch, vooral in de keuken. De eigenaar, een projectontwikkelaar, liet het allemaal begaan. Want toen we allemaal een ander onderkomen hadden gevonden, was er werkelijk niemand in de buurt die het erg vond dat hij de inmiddels bouwvallige pastorie en kerk liet slopen en er een kantoorpand neerkwakte.

Met parkeerplaats, natuurlijk. Voor als er eens iemand met de auto langs zou komen.

Advertenties